Gezondheid

 

 

 

 

Papegaaien kunnen ook ziek worden met  de juiste verzorging, ze kunnen een ziekte of virus

oplopen en deze zijn meestal dodelijk, of je moet er in een vroeg stadium bij zijn.

Er zijn nog altijd veel kwekers die zieke vogels hebben zitten, en daarmee kweken.

Als u een jonge papegaai koopt vraag dan altijd een gezondheids verklaring of vraag of de

kweker hem wilt laten testen. Een beetje kweker doet dit. Deze kweker zal wel meer kosten dan

een kweker die ze niet test, maar dan heeft u een gezonde vogel.

Kijk goed rond bij een kweker, kijk in de kooien, in de eet en drinkbakjes.

Zijn de bakjes schoon? Zijn de kooien schoon? Zijn de papegaaien fit ? Zitten de papegaaien

goed in de veren. Kijken ze helder uit hun ogen. Hoe reageren ze als je binnenkomt ?

Ook gebeurt het vaak dat mensen gezellig op visite gaan bij elkaar,  zonder te weten of de

papegaai gezond is. Dit is erg gevaarlijk.

U komt met uw gezonde papegaai bij iemand thuis die een zieke vogel heeft, en dan is de kans

erg  groot dat uw papegaai ook ziek wordt.

 

Hieronder kunt u informatie vinden over bepaalde ziektes, aandoeningen en virussen.

 

Aspergillose

Aspergillose is een andere uiterst kwaadaardige ziekte, die vooral bij de grotere kromsnavels (amazones, grijze roodstaarten en kaketoes) nogal eens voorkomt. Deze ziekte wordt veroorzaakt door overal voorkomende schimmels van de soort Aspergillus Fumigatus. Alle vogels ademen voortdurend deze schimmelsporen vanuit de omgevingslucht in. Dat is ook niet te vermijden. Gezonde vogels worden gelukkig niet gauw besmet. Infecties door deze schimmels komen bijna alleen bij vogels voor, die ook om andere redenen al verzwakt zijn. Bij een infectie dringen de schimmels in de ademhalingsorganen door (luchtwegen, longen en luchtzakken) en beginnen daar te groeien. Als bij een infectie van de ademhalingsorganen een antibioticakuur geen resultaat heeft, moet men zeker aan aspergillose gaan denken. Vroeger stond men machteloos tegenover deze ziekte, maar tegenwoordig heeft behandeling een redelijk, doch zeker geen gegarandeerd succes.

De Aspergillus schimmel
De Aspergillus schimmel, maar ook andere schimmels, groeien het best in vochtige en donkere ruimtes met een slechte ventilatie en wel voldoende zuurstof. Vochtig en onhygiënisch bewaard voer en ook voeder- en ontlastings-resten op de bodem vormen een prima groeiplek voor de aspergillus schimmel. Maar ook in droge ruimtes komen vrijwel altijd aspergillus sporen in kleine aantallen in de lucht voor. Contact met de aspergillus schimmel is dus niet te vermijden. Wel vormen de luchtzakken van de vogel ideale plekken voor schimmelgroei: het is er donker, warm en vochtig.

Toch krijgt gelukkig lang niet elke vogels aspergillose. Om de ziekte te krijgen heeft de vogel een verminderde weerstand nodig. Een goede weerstand is dus belangrijk Een eenzijdige voeding (pinda's en zonnepitten) en onvoldoende Vitamine A, maar ook stress door eenzaamheid of andere (virus) infecties kunnen het aanslaan van de schimmelinfectie enorm bevorderen. Soms raken open wonden geïnfecteerd met aspergillus.

 





Er komen drie soorten aspergillose voor bij vogels. De eerste is een acute vorm waarbij de schimmel zich snel verspreidt in longen, luchtzakken en eventueel ook in de andere inwendige organen (hersen/buikholte). De schimmel is dan nog net zo herkenbaar als de schimmel op bijvoorbeeld beschimmeld brood.De vogels sterven meestal tengevolge van de toxines (gifstoffen) die de schimmel maakt en die de lever aantasten. De dieren zitten bol, kunnen snel ademen en hebben groene ontlasting tengevolge van het vasten. De dieren vermageren snel. De diagnose is soms moeilijk te stellen, ook als er röntgenfoto's gemaakt worden. De dieren sterven nogal eens voordat een diagnose gesteld of een behandeling begonnen kan worden.

Aspergillomen
De tweede vorm is een veel meer sluipende vorm. Er vormen zich zogenaamde aspergillomen in de luchtzakken, longen of buikholte. Deze geel-witte woekeringen hebben een kaasachtige structuur. Ze zijn weinig doorbloed en vullen met name de luchtzakken op en "verstoppen" deze als kazige vellen. Het lichaam probeert de schimmelhaarden in te kapselen waardoor deze langzamer groeien. Deze vogels kunnen vaak heel lang zonder problemen verder leven. Soms zitten ze wat vaker met de kop in de veren. Meestal zijn ze wat sneller benauwd en ademen ze in rust veel geforceerder als normaal. Deze vorm is op de Röntgenfoto meestal makkelijker vast te stellen omdat de luchtzak die zich normaal zwart aftekent op de foto nu ineens vol met "witte" schaduwen zit. De vogel kan soms toch plotseling zeer ziek worden. Of omdat een deel van de schimmelprop losschiet en de "stembanden" (syrinx) blokkeert waardoor de vogel acuut benauwd wordt en binnen enkele uren kan stikken als niet tijdig ingegrepen kan worden. De andere vorm is een acute intoxicatie (vergiftiging) met giftige stoffen (toxines) vanuit de schimmel, waarna de lever ernstig beschadigd wordt en het ineens begeeft.

 

 



Een derde vorm is de vorming van veel kleinere aspergillomen die door hun locatie problemen geven. Deze witte kaasachtige haarden ontstaan bijvoorbeeld in de neusspleet (choanae) en geven misvormingen van het neusgat of vormen een dikte onder het oog. Soms ziet men alleen een licht slijmerige neusuitvloeiing uit de neus-
gaten. Om deze vorm vast te stellen zal de vogel met een lichte narcose goed onderzocht moeten worden. Met name de voorhoofdsinussen)holtes' en de neus-
spleet moeten goed geinspecteerd moeten worden op de aanwezigheid van het
kazige materiaal.

Aspergillus in de luchtpijp
Een speciale vorm van Aspergillose is de
infectie in de stemspleet of syrinx. Het strottenhoofd ligt bij vogels onder het borst-
been en is van buitenaf nauwelijks bereikbaar. Infecties in die syrinx, waar de luchtpijp van nature toch al het mees nauw is, leiden tot geleidelijk of soms zelfs plotseling stemverlies (vogels praat of schreeuwt nauwelijks meer).
Zij kunnen echter plotseling verergeren toteen acute en levensbedreigende benauwdheid. Met deze vogels moet zo snel mogelijk
naar de dierenarts worden gegaan. Deze zal proberen een pijpje in de luchtzak te plaatsen zodat de vogel via het pijpje in de luchtzak kan ademen. Op de wijze kan de obstructie tijdelijk worden omzeild en de verstikkingsdood worden voorkomen. De vogel zal daarna in de vogelkliniek moeten blijven voor verdere behandeling. De dierenarts "wint" op deze manier extra tijd om zijn therapie verder te kunnen uitvoeren en voorkomt verder uitputting -of erger- bij de patient.

 


 


Lastige diagnose

Zoals hierboven reeds aangegeven kan de diagnose van Aspergillose bij kromsnavels zeer moeilijk zijn. Ook als de dierenarts een sterke verdenking heeft op Aspergillose kan zelfs een röntgenfoto soms toch de diagnose niet bevestigen. (Serologisch) bloedonderzoek waarbij gekeken wordt naar de aanwezigheid van grotere hoeveelheden antistoffen tegen de Aspergillus schimmel is een andere mogelijkheid. Hoewel miswijzingen zowel positief als negatief nogal eens voorkomen. Bij het bekijken van het rode en witte bloedbeeld kunnen een aanwezige bloedarmoede, extra gevormde witte bloedcellen en dan met name monocyten een extra aanwijzing voor de aanwezigheid van aspergillose vormen. Mogelijk dat in de toekomst bloedonderzoek op de aanwezigheid van aspergillus DNA de diagnostiek kan verbeteren. In geval van infectie Het luchtweg systeem lijkt wel een beetje op in de neusholte kan een microscopisch een doedelzak met meerdere luchtreservoirs
reservoirs onderzoek of een schimmel-kweek de diagnose bevestigen.
Ondanks alle bovenstaande diagnostieken kan de diagnose soms nog niet met zekerheid gesteld worden. Men staat dan voor de keuze toch te behandelen of de diagnose pas bij sektie rond te krijgen. En dan is het natuurlijk voor de vogel te laat.

Therapie
Als de (vermoedelijke) diagnose eenmaal gesteld is, moet een goede behandeling door een ervaren vogeldierenarts in een goed uitgeruste Vogelkliniek worden ingesteld. Deze behandeling kan bestaan uit injecties met 5-fluorouracil (Amfotericine B) of Trisporal korrels. Evt. aanwezige kaasachtige massa's (aspergillomen)moeten als het enigszins kan worden weggecuretteerd. De achterblijvende holtes moeten dagelijks worden gespoeld met een fungicide zoals bijv. Imaverol. Bij infectie van de luchtpijp kan of rechtstreeks worden gespoeld met imaverol of moet de vogel worden geplaatst in een zogenaamde nevelkamer. Hierbij wordt antischimmelmedicijnen fijn verneveld in de lucht en daarna door de vogel ingeademd. Daarnaast moet altijd de oorzaak van de tevens aan-wezige afweeronderdrukking en verminderde weerstand worden opgespoord. Dat betekent naast rust en warmte meestal de voeding aanpassen en eventuele vitamine tekorten opheffen. Soms worden antibiotica toegediend om secundaire( bijkomende) infecties te bestrijden.

Prognose en vooruitzichten
Aspergillose is een zeer lastige ziekte om te behandelen. De lokale (plaatselijke) vorm heeft daarbij wellicht de beste prognose. Alle behandelingen dienen agressief te zijn (alle therapeutische wapens moet uit de "kast" getrokken worden) en zeker ook voldoende lang te worden volgehouden. Problemen daarbij vormt vaak de onmogelijkheid de kazige schimmelhaarden (compleet) te verwijderen. Daarnaast is het vaak moeilijk om voldoende antischimmel middelen ter plekke in de schimmel-haarden te krijgen. De ingeademde nevel in de nevelkamers dringt namelijk lang niet altijd niet diep genoeg door in de luchtwegen. En ook via de bloedbaan is de kern van de schimmelhaard nauwelijks te bereiken wegens het ontbreken van enige bloedvoorziening in de schimmelhaard. het best haalbare is dan vaak de gezonde weefsels beschermen met schimmeldodende medicijnen zodat het lichaam de schimmel kan inkapselen. Maar daarbij werkt de aanwezige afweeronderdrukking (immunosuppressie) de genezing tegen. Bij jonge vogels moet men er op verdacht zijn om een afweeronderdrukking door een al aanwezige circovirus infectie niet over het hoofd te zien..

Fabeltje
Aspergillose of schimmelinfecties worden niet veroorzaakt door het eten van beschimmelde pinda's. Hoewel beschimmelde pinda's zeer giftige stoffen (aflatoxines) kunnen bevatten geven deze geen infecties. Deze aflatoxines of ook wel mycotoxinen genoemd, kunnen wel ernstige leverbescahdiging en levercirrhose veroorzaken.
Wel kan het veel en langdurig eten van (ook niet beschimmelde) pinda's een eenzijdige voeding veroorzaken waardoor de weerstand sterk afneemt en de kans op schimmel toeneemt. Langdurige behandelingen met (lage doses) tetracyclines waaronder doxycycline (vibramycine) kunnen het ontstaan van schimmelinfecties bevorderen. Hetzelfde geldt voor het gebruik van bijnierschorshormonen bij vogels. Prednisolon en dexamethason gebruik bij vogels gedurende meer dan enkele dagen
of in hogere doses eindigen zeer vaak in een aspergillus infectie.



Geslachtsbepaling

De uitwendige geslachtsorganen van zoogdieren zijn meestal goed ontwikkeld. Bovendien zijn deze meestal buiten het lichaam ook goed zichtbaar. Bij vogels ligt dit op een enkele uitzondering na geheel anders. De geslachtsorganen zoals bijv. de testikels bij de mannetjes liggen in de buikholte verborgen en zijn ook niet van buitenaf zichtbaar of voelbaar. Soms is dat geen enkel probleem omdat het verenkleed van het mannetje (man) er heel anders uitziet dan dat van het vrouwtje (pop). Een mooi voorbeeld hiervan is de Edelpapegaai.

Bij andere soorten is het al moeilijker. Zo kan het soms kleine verschil tussen de geslachten bij de grasparkiet vooral worden gezien aan de kleur van de neusdop (man=blauw, pop=bruin). Soms aan het al of niet op latere leeftijd opkomen van een kleurvlek zoals de gekleurde ring bij de halsband parkiet of de mannelijke valkparkiet. Bij kaketoes is de iris van de volwassen man vaak donkerbruin en die van de volwassen pop (vrouw) lichtbruin. Soms is het onderscheid moeilijk te maken en moet men in ieder geval wachten tot de vogels geslachtsrijp zijn. Dit duurt bij de halsband ca. 2 jaar en bij de kaketoes wel tot 4 jaar.

Bij andere soorten zoals de grijze roodstaarten, de ara's en de amazone papegaaien ligt dit anders. Hier is zelfs bij de volwassen vogels nauwelijks of geen verschil te zien tussen de man en de pop (vrouw). Hetzelfde geldt bijvoorbeeld bij kleurmutaties van halsbanden (wit). Aangezien het hier vaak dure vogels betreft wil men graag snel weten of men een echt broedspannetje heeft of dat er twee mannen of twee poppen bij elkaar zitten. Soms als er na een paar jaar nog geen eieren zijn gekomen gaat zelfs de meest ervaren kweker wel eens twijfelen. Er kunnen dan natuurlijk aan andere afwijkingen zijn.

Om het geslacht vast te stellen zijn er dus verschillende methoden:

  • uitwendig zichtbare verschillen (bijv de kleurvlek bij de mannelijke valkparkiet)
  • bloedonderzoek dmv DNA
  • Veeronderzoek dmv DNA
  • Endoscopische geslachtsbepaling

Endoscopische geslachtsbepaling
Door een klein gaatje van 2-3 mm in de buikwand te maken kan de dierenarts middels een glasfibersysteem met en lens erop (endoscoop) door de luchtzakken heen de geslachtsorganen van de vogel goed en op simpele wijze bekijken. De vogel wordt hiervoor even onder zeil gebracht met een kapje met zuurstof en isofluraan. De vogels slapen meestal binnen 1-3 minuten, en zijn na de ingreep die een paar minuten duurt, ook binnen 1-3 minuten weer compleet wakker.

 

 

 

 


Het sterfte risico ligt bij een ervaren dierenarts ver beneden de 5 promille. De nadelen van deze methode zijn dat men met de vogel naar de dierenarts moet en het zeer geringe uitvang en narcose risico. Het voordeel van deze methode is dat niet het alleen het geslacht direct kan worden vastgesteld, maar dat tevens een uitspraak kan worden gedaan over de toestand van bijvoorbeeld de eierstok. Vogels van 10 jaar met een niet actieve eierstok of zelfs een geheel vergroeide (versteende) eierstok zijn weliswaar nog steeds vrouwelijk, maar zullen waarschijnlijk geen eieren leggen. Ook kan vaak een indruk worden gekregen over de leeftijd of broedrijpheid van de vogels. Omdat de dierenarts deze bevindingen zelf in de vorm van een certificaat op schrift stelt is fraude niet zo snel mogelijk als bij DNA onderzoek door derden.

 

 

 

 

 


Geslachtsbepaling middels DNA

onderzoek is goed mogelijk bij de meeste algemeen voorkomende soorten. Er wordt dan gekeken of er in het bloed of celresten die op de veren voorkomen stukjes DNA aanwezig zijn die typisch zijn voor een pop of voor en man. Opvallend is dat bij mensen de dames twee gelijke X chromosomen (XX) hebben en de mannen één X en één Y chromosoom (XY),. Bij vogels is dit net omgekeerd (WW bij de man en WZ bij de pop). Voordeel van de DNA methode is dat je niet met de vogels naar de dierenarts hoeft. De uitslag van het onderzoek volgt meestal na 1-2 weken en de kans op een foutieve uitslag is ca. 1%. Het nadeel is dat bij sommige soorten meer mannen dan vrouwelijke dieren voor handen zijn. Dat komt soms tot uiting in het ontstaan van flinke prijsverschillen tussen de beide sexen en soms worden allen spannetjes van deze vogels verkocht. (als je een pop wilt moet je de man erbij kopen).

 Helaas zien wij bij de Toren meer en meer fraude met deze uitslagen optreden. veren van een eerder als pop geteste vogel worden opgestuurd met de ringnummers van onbekende vogels of zelfs bewezen mannen. De man wordt dan met en frauduleus verkregen certificaat als pop voor veel geld verkocht. Hoewel de DNA methode dus een prima methode is, moet men bij de aankoop en verkoop van dit soort vogels uiterst voorzichtig zo niet argwanend zijn. Dit kan ondervangen worden indien het bloed of de veren door een dierenarts zijn afgenomen die bovendien het bijbehorende ringnummer noteert en zelf het materiaal opstuurt. Dit is wellicht is duurder (de tijd van de dierenarts moet ook betaald worden), maar de dierenarts staat dan min of meer garant net als een notaris dat er geen fraude gepleegd is en dat de koper van de vogel inderdaad een op correcte wijze geslachtsbepaalde vogel heeft gekocht. Bij aankopen die soms enkele duizenden euros vergen is die extra zekerheid toch zeker wat waard.

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

Legnood

Voor poppen (vrouwelijke vogels) is het leggen van een ei een flinke prestatie. Een ei moet alle voedingsstoffen bevatten om een heel kuiken te kunnen laten uitgroeien. Tussentijds steeds even extra voedingsstoffen voor het zich ontwikkelende kuiken bijvullen is er dan ook niet bij. Dat heeft tot gevolg dat ei relatief groot is en door de harde kalkschaal ook weinig meegeeft bij het leggen. Gelukkig gaat het leggen vaak goed omdat de legbeentjes (bekken) extra wijd wordt in de legperiode. Slechts een enkele keer is het ei echt te groot omdat er bijvoorbeeld een dubbele dooier in zit of omdat de eischaal te ruw om het ei vlot kwijt te raken. Blijft het ei te lang zitten dan droogt het slijmlaagje dat het ei bedekt op. Het glijden van het ei door de eileider (leggen) verloopt dan ook stroef of helemaal niet meer. Als het ei te lang blijft zitten kan de eileider ontstoken raken en eventueel stukgaan. Het ei komt dan door deze perforatie los in de buikholte te liggen. Bovendien is er dan een open verbinding tussen de cloaca (poepgat) en de buikholte. Deze dieren sterven vaak aan een bacteriele buikvliesontsteking of bloedvergiftiging.

Symptomen
Als het ei na 48 uur nog niet gelegd is gaat de pop vaak wat bol zitten met een bolle buik Het lopen en vliegen gaat moeizaam. Nogal eens raakt de achterhand bevuilt met ontlasting. De vogel eet minder of niet meer. Sommige vogels kunnen echter nog wel tot 10 dagen vrij vrolijk lijken. Anderen vogels zijn echter al binnen enkele dagen dood. Snel ingrijpen is dan ook gewenst. Hoe langer men wacht hoe groter de kans is dat er operatief ingegrepen moet worden. Ook geldt dan dat de kans de eileider aangetast raakt en slechts moeizaam meer te hechten is groot is geworden. Soms is het moeilijk om vast te stellen of er inderdaad sprake van legnood is. Een rontgenfoto laat dan meestal heel duidelijk zien of er inderdaad een ei aanwezig is.

 

 

 


 




Therapie

Meestal komt het ei binnen 24-48 uur vanzelf. Mocht dat niet gebeuren is soms wat extra beweging door (voorzichtig) uitvangen en even in een andere kooi zetten al voldoende voor "het laatste zetje". Huismiddeltjes als slaolie etc. zijn zelden helpvol en meestal schadelijk. Allereerst verstikt de slaolie de porien in de kalkschaal waardoor het ei uitbroeden vaak niet meer lukt. Bij het afwassen van de olielaag wordt meestal ook het waslaagje van het ei verwijderd. Dit is zeker niet bevorderlijk is voor een goede broed-uitkomst van het ei (uitdrogen). Voorheen probeerde ik vaak het ei er voorzichtig uit te masseren terwijl een assistente of de eigenaar het dier vasthield. Dit ging echter toch nogal eens mis omdat de vogel plotseling zich spande of tegenspartelde. Als het ei kapot gaat snijden de scherven direct door de eileider en sterft de vogel vaak alsnog. Dankzij de zeer veilige vogelnarcose met isofluraan en zuurstof is het makkelijk en veilig om de vogel voor en tijdens het naar buiten masseren van het ei even onder zeil te brengen. Alle spieren verslappen en de vogel spant zich niet meer. In 80% van de gevallen lukt het dan om zonder veel kans op breuk en eileiderperforatie het ei voorzichtig naar buiten de masseren.

 

 

 

 

 

Volgens de handboeken zou het inspuiten van het weeënopwekkende middel ocytocine (piton) en/of extra calcium ook moeten kunnen helpen. Helaas heb ik hier zelden of nooit enig succes gezien. Men mag deze therapie dan haast ook wel als achterhaald beschouwen.


Operatie
Als het ei echt te groot is om de legbeentjes te passeren rest er maar een mogelijkheid om de vogel te sparen: een operatie die vergelijkbaar is met een keizersnede. De operatie duurt ca. 20-30 minuten en gebeurd onder gasnarcose. Extra aandacht moet besteed worden aan post-operatieve pijnstilling. De gebruikte gasnarcose is namelijk snel uitgewerkt en dat betekent dat de vogel na de operatie ook direct weer bij is en ook volledig de pijn van de operatie voelt.

Voordat dierenartsen zich hiervan bewust waren kwam het voor dat na een voorspoedige operatie snel bij kwam om vervolgens toch nog te sterven aan een acte hartdood de pijn-stress. De vogels kunnen na een geslaagde operatie bij een volgende kweekronde vaak weer gewoon leggen. Gelukkig voorkomt de stress van de operatie de productie van nog een ei tijdens dezelfde legronde.

 

 


 

 


Nog een nieuw ei zou anders de volgende dag direct al weer door de gehechte maar nog niet genezen eileider moeten gaan. Hetgeen alsnog vervelende complicaties kan geven. Tijdens de operatie kan bij huiskamer en kooivogels eventueel een deel van de eileider worden weggehaald zodat het leggen definitief stopt en de legnood niet opnieuw kan voorkomen.

 

 

 

Polyomavirus

Bij de grote papegaai-achtigen en Ara's levert het polyomavirus vooral veel problemen op bij jonge vogels. Erg gevoelig zijn o.a. grijze roodstaarten, blauwgele Ara's en edelpapegaaien. Ook bij halsbandparkieten komt dit virus inmidels op grote schaal voor. De meeste problemen zien we in de periode 1-7 weken. In het nestblok liggen soms plotseling jongen dood. het virus veroorzaakt onder andere stollingsstoornissen. Hierdoor vertonen de jongen onderhuidse bloedingen. (blauwe plekken). De houder van de dieren denkt dan dat de ouders het jong hebben doodgetrapt. Helaas is de werkelijke oorzaak("blauwe" plekken) (nog) erger.

 


 






Symptomen

Bij een minster heftig verlopende vorm groeien de jongen slecht en zeer ongelijkmatig. De krop leegt zich slecht en de eetlust neemt af. Sommige jongen krijgen een erg opgezette buik met veel vocht erin omdat het virus de lever bijna vernietigd heeft (levercirrhose). Bij andere ontstaan onderhuidse bloedingen, ontstekingen aan de veerfollikels etc.

 


 





De nestgenootjes van deze vogels die het wel overleven worden drager van het virus. Vindt de besmetting plaats op zeer jonge leeftijd dan herkent het lichaam het virus niet als lichaamsvreemd en blijven de dieren levenslang geinfecteerd en besmettelijk voor andere dieren. Worden de vogels (of ouders) op wat latere leeftijd geinfecteerd dan blijft het virus ongeveer 24 weken aantoonbaar in het bloed, waarna de infectie weer verdwijnt. Ouders van jongen die de symptomen vertoont hebben moeten dus apart gezet worden. Een enkele maal zien we volledige uitgegroeide jonge of oudere vogels die ineens zonder symptomen dood liggen. Deze vogels hebben geen uitwendige symptomen maar hebben bij sectie een sterk gezwollen milt en lever
.

Diagnostiek
Deze symptomen kunnen soms echter ook door andere aandoeningen veroorzaakt worden (hartgebreken, stollingsstoornissen etc.). De aanwezigheid van het polyoma virus dient ten allen tijde te worden aangetoond dmv bloedonderzoek op de aanwezigheid van virus DNA of idem maar dan bij sectie en onderzoek op virus in de organen van de overleden dieren.
Hoewel het polyomavirus veel voorkomt bij grotere kromsnavels zijn ook de kleinere kromsnavels (jonge grasparkieten) er erg gevoelig voor. Men onderscheidt verschillende vormen van polyoma. Er bestaan flinke verschillenl in het ziektepatroon bij de verschillende kleinere papegaaiachtigen.


Bij grasparkieten

kennen we een extreme vorm en een milde vorm van polyoma. Bij de extreme vorm van Polyoma ziet men tot 10 à 15 dagen een normale ontwikkeling, dan plotselinge sterfte zonder verder symptomen. Andere nestjongen van hetzelfde ouderpaar tonen een opgezwollen buik en uitdrogingsverschijnselen wat vooral goed zichtbaar is aan loopbenen en tenen, die enigszins verschrompeld aandoen, soms ziet men zenuwafwijkingen. De dons- en contourveren veren van zulke nestjongen zijn sterk onderontwikkeld en er is veel sterfte in de eerste drie levensweken, soms oplopend tot 100%. Jongen die overleven tonen bevederingsstoornissen in de dekbevedering terwijl de grote vleugel- en staartpennen nauwelijks zijn ontwikkeld waardoor de vogels niet kunnen vliegen. Het zijn in alle gevallen onderontwikkelde vogels die niet meer herstellen.

Kruiperziekte
Bij de milde vorm van Polyoma - deze treedt op als de jonge vogels na de 1 ste dag met het virus worden geïnfecteerd - laten de jonge grasparkieten vlak voordat ze het nestblok verlaten, alle slag- en staartpennen vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ook de milde vorm van Polyoma verschillende gradaties kent variërend van het verlies van enkele vleugelpennen tot de zwaardere gevallen, waarbij ook de lichaamsbevedering is aangetast. In de spoel van de afgeworpen vleugelpennen zien we een roodbruine bloederige massa, zodat wel van bloedpennen gesproken wordt. De veerschachten zijn bros en tonen enigszins gekrulde baarden. Aan het einde van de schacht zijn de pennen ets geknikt. Behalve het feit dat de jonge vogels niet of nauwelijks kunnen vliegen en zich over de grond of langs het gaas kruipend voortbewegen, vandaar de benaming kruiper, zijn ze verder vitaal en lijken volkomen gezond. Deze vogels herstellen gewoonlijk na enige tijd weer normaal, waarbij de meer ernstige gevallen soms wat in groei achterblijven in vergelijking met hun niet aangetaste soortgenoten.

Bij Agaporniden
onderscheidt men eveneens de peracute sterfte zonder voorafgaande symptomen. Een ander ziekteverloop bij Agaporniden wordt gekenmerkt door verschijnselen van lusteloosheid, geen eetlust, gewichtsverlies, vertraagde kroplediging, braken, diarree, uitdrogingsverschijnselen, ademhalingsproblemen en verhoogde urinevloei en vervolgens sterfte binnen een tijdsbestek van twee dagen. Bij Agaporniden blijkt bij sectie de buikholte gevuld met helder vocht en ziet men een smalle bleke milt en een bleke gezwollen lever. Bij Agaporniden treden de problemen gewoonlijk aan het licht op een leeftijd van 4 tot 16 weken. Agaporniden welke na vijf maanden met het polyomavirus in aanraking komen zullen doorgaans antistoffen opbouwen zonder ziekteverschijnselen te vertonen. Naar de oorzaak van Polyoma is vooral de laatste jaren door talrijke wetenschappers intensief onderzoek gedaan. Uit de onderzoeken is gebleken, dat de ziekte wordt veroorzaakt door het zogeheten avipolyoma-virus, een virus dat taxonomisch tot de grote familie van de papovavirussen wordt gerekend. De naam papovavirus geldt als familie-aanduiding voor het Papilloma (PA), Polyoma (PO) en Vacuola (VA) virus.

Verspreiding
Volwassen vogels verspreiden het virus door huidschilfers, veerstof en uitwerpselen. Verder zijn er aanwijzingen dat het virus ook via het broedei kan worden overgebracht. Een besmettingsroute via de ademhaling wordt niet uitgesloten omdat bij onderzoeken virusdeeltjes in het longweefsel zijn aangetroffen. Door Polyoma aangetaste jonge dieren verspreiden het virus door afgeworpen veren of veerdeeltjes, huidschilfers, veerstof, de ontlasting en mogelijk ook via de ademhaling.

Dragers
Vogels die de ziekte te boven komen, kunnen 'dragers' worden en op bepaalde momenten van stress een infectiebron vormen in kweekbestanden. Een aantal vragen ten aanzien van de progressie van de ziekte zijn nog onbeantwoord gebleven. Een open vraag is nog steeds, waarom sommige kweekparen voortdurend geïnfecteerde jongen voortbrengen, terwijl andere het ene jaar gezonde nakomelingen voortbrengen en het andere jaar zieke.

Vaccin
Zoals bij vrijwel alle virusziekten zijn er nog steeds geen specifieke medicijnen om de aandoening te behandelen. In Amerika wordt momenteel nog onderzoek verricht naar een vaccin als voorbehoedmiddel tegen de ziekte. Ook wordt momenteel een vaccin met geïnactiveerd Polyoma-virus door verscheidene universiteiten getest, dit is echter nog
niet relevant voor de praktijk. Het vaccin van BIOMUNE is voorlopig toegelaten in de USA, maar nog niet officieel verkrijgbaar in Nederland. De kosten liggen rond de 20 dollar per enting per vogel. De eerste keer moet er tweemaal geent worden met 3 weken tussentijd. Waarna de enting jaarlijks herhaald moet blijven worden.


Gezien de kosten zullen waarschijnlijk voorlopig alleen de beter gemotiveerde vogelliefhebbers met de duurdere vogelsoorten overgaan te enten. De verwachting is dan ook dat er altijd vogels zullen blijven die de besmetting kunnen verspreiden. Daarom is het zaak dat we leren omgaan met het fenomeen Polyoma. Kwekers die nog nooit metPolyoma te maken hebben gehad, dienen zich te realiseren dat juist hun bestand het meest kwetsbaar is omdat hun vogels onvoldoende of zelfs helemaal geen antistoffen tegen de ziekte hebben opgebouwd. Wanneer de ziekte onverhoopt optreedt, moeten een aantal maatregelen genomen worden om verspreiding van het virus binnen het bestand zoveel mogelijk te beperken.

Tot die maatregelen behoren:
Bij de duurdere kromsnavelsoorten: alle directe contact-vogels onderzoeken dmv een bloedonderzoek op de aanwezigheid van virus DNA en deze isoleren. Na ca 24 weken deze positieve vogels opnieuw controleren. Met de dan negatieve vogels kan weer geweekt worden. De nog steeds positieve vogels kunnen evt. na 3 maanden nogmaals onderzocht worden. Zijn deze vogels dan nog steeds positief, dan zijn deze vogels waarschijnlijk levenslang drager van het polyoma virus en gevaarlijke voor andere kromsnavels. De vogels zelf gaan vaak zelf niet meer dood aan het virus wat ze bij zich dragen. Ze zijn nog wel geschikt als solitaire huiskamervogel. En kunnen bij goede verzorging nog een respectabele leeftijd bereiken. Er bestaat geen geneesmiddel dat reeds zieke dieren weer beter maakt.

  • broedkooien, broedblokken, enz. regelmatig desinfecteren met een virusdodend middel, bijv. Halamid
  • het gebruik van een luchtionisator, zodat zwevende stofdeeltjes die door de virussen als transportmiddel gebruikt worden, snel neerslaan
  • zorgen voor een goede ventilatie en afzuiging gedurende de tijd dat de vogels actief zijn
  • als u de kweekruimte met een stofzuiger reinigt een tweede slang aan de uitlaat van het apparaat koppelen en deze naar buiten leiden zodat de eventueel opgezogen virussen niet door het hele verblijfverspreid worden.

Bij grasparkieten:

  • niet meer dan 2 rondes kweken per jaar.
  • geen eieren of jongen overleggen in bestanden waarin Polyoma voorkomt;
  • afgeworpen veren van aangetaste dieren direct verwijderen en afvoeren.
  • ernstig aangetaste jongen die naar het zich laat aanzien toch niet meer herstellen in laten slapen. Deze zware gevallen vormen een ernstige infectiebron en daardoor een bedreiging voor de andere kweekvogels.

Bij alle kromsnavels:
ouders van dergelijke vogels tenminste een halfjaar uitsluiten voor de kweek. Als na die periode opnieuw Polyoma in het nest optreedt, het betreffende kweekkoppel eveneens in laten slapen, hoe hard dat ook klinkt. Het is duidelijk dat u geen vogels verkoopt en er ook niet mee showt als Polyoma in actieve vorm in uw bestand aanwezig is. Doet u dat toch dan werkt u, met de kennis die u thans over dit onderwerp heeft, bewust mee aan de verdere verspreiding van deze besmettelijke ziekte.




PBFD

 

 

 

De laatste jaren zijn steeds meer papegaaien besmet geraakt met een papegaaienziekte,
PBFD (PSITTACINE BEAK & FEATHER DISEASE) beter bekend als BEK- EN VEDERROT.
Deze ziekte komt in twee varianten voor: of het virus zit in de veren of het zit in het bloed.

Wanneer de papegaai het in zijn veren heeft is hij nog niet ziek maar kan op dat moment wel

aan andere papegaaien de ziekte overbrengen. Als er na 3 maanden weer getest wordt zijn er

twee mogelijkheden: of hij is het virus kwijt uit zijn veren (dan is de papegaai dus gewoon

weer gezond) of het is in zijn bloed gegaan. Wanneer dit het geval is, is de papegaai ten dode

opgeschreven. Op dit moment is er nog geen medicatie voorhanden.
De bek- en verenrot wordt veroorzaakt door een relatief simpel virus die de cellen van de veren,

de snavel besmet en dood, tevens tast het de cellen aan van het afweersysteem, hierdoor kunnen

andere vogelziektes, bacteriën en andere infecties optreden. Voor zo ver bekend zijn alleen

parkiet en papegaaiachtige vogels gevoelig voor het virus. Een variant op het virus is wel

waargenomen bij duiven.

 

 

Een juiste diagnose is echter alleen door een dierenarts te stellen. Hij zal een stukje veer en

een  paar druppeltjes bloed afnemen en opsturen naar een Laboratorium.
 


Kenmerken van besmette vogels kunnen zijn:

Veren die op onverklaarbare manier uitvallen
Veren die abnormaal dikke veerschachten hebben
Bij jonge vogels een lichte groeiachterstand
Gestolde bloed op de uitgevallen veren

De uitgevallen veren veroorzaken open plekken die rood zijn
De nog aanwezige veren zijn dof
De snavel is extra glimmend
De vogel verliest gewicht
Het eetpatroon verandert
De vogel heeft verminderde activiteit
Dunne groene ontlasting
Letwel, de genoemde kenmerken kunnen een indicatie zijn van PBFD maar natuurlijk ook van

andere al dan niet onschuldige ziekten. Daarom raden wij altijd een bezoek bij de dierenarts aan

voor de meest betrouwbare diagnose.

Ook bij vogels met een goed afweersysteem, is het aan de buitenkant zeer moeilijk te constateren

dat ze besmet zijn met het virus.
 

 

 

Papegaaien ziekte/Clamydia

 

Papegaaienziekte komt regelmatig voor bij parkietachtige en andere vogels

en kan ook bij mensen, die met besmette vogels in aanraking komen, deze ziekte

veroorzaken. De ziekte komt in Nederland voor bij ogenschijnlijk gezonde parkieten en

papegaai-achtigen, en in mindere mate bij andere vogelsoorten. Dit betekent dat u de ziekte

door middel van ruilen, aankoop, tentoonstellingen enz. in huis kunt halen. Maar vooral

contact met zieke vogels lijdende aan papegaaienziekte brengen de ziekte over. Zowel bij

de mens als bij de vogels is de ziekte vrij eenvoudig aan te tonen en te behandelen als de

ziekte maar als zodanig wordt herkend. Er zijn aanwijzingen dat de ziekte bij de mens

aanzienlijk meer voorkomt dan het aantal gevallen dat wordt geregistreerd.

Bestrijding van de papegaaienziekte bij vogels wordt gezien als een belangrijk middel om

het aantal besmettingen bij de mens terug te dringen. De behandeling tegen de papegaaienziekte

is dmv antibiotica.

De verwekker van de ziekte is de chlamydia psittaci. dit is een bacterie die zich verplicht

intracellulair voortplant en overleeft. Dit wil zeggen dat de bacterie als parasiet in andere cellen

voorkomt.

De ziekteverschijnselen die we bij parkieten, papegaaiachtige en andere vogels zien als gevolg

van psittacose zijn o.a. sufheid, bol zitten, niet eten met als gevolg vermageren, diarree,

oogontstekingen en ten slotte sterfte.
 

Het vervelende van papegaaiziekte is dat de vogels mogelijk al veel eerder de ziekteverwekker

hebben opgelopen en dat zij de bacterie al een (lange) tijd bij zich hebben gedragen zonder er zelf

ziek van te worden, zonder dat u het ziet. We noemen deze vogels dan ook wel dragers.

Tijdens deze periode kunnen de vogels de ziekteverwekker uitscheiden, dit gebeurt dan met name

onder stress- omstandigheden zoals transport, rui en aankoop. In deze ogenschijnlijk gezonde

(kweek) bestanden kunnen de broedresultaten ook verminderd zijn. De bacterie wordt voornamelijk

uitgescheiden via de ontlasting.

De mens kan ongemerkt ziek worden door o.a. het inademen van besmet stof van de ontlasting.

Bij de mens gaat de ziekte vaak gepaard met griepachtige verschijnselen (hoesten, koorts en

spierpijn) die lange tijd kunnen aanhouden. Soms kunnen zich echter ook longaandoeningen

en leverfunctiestoornissen voordoen. Wanneer u vogels houdt en naar uw huisarts gaat omdat

een griepje maar niet over wil gaan, kan het nooit kwaad om te vermelden dat u vogels houdt.

De huisarts zal dan een bloedonderzoek doen, tweemaal met enkele weken tussentijd en een

behandeling inzetten met een antibioticum.

 

 

 

Met dank aan ellen parrots en  Hareco

 

 

Heeft u vragen, of opmerkingen ? Kunt u ons altijd een E-mail sturen.